Publicaties

Verwerpen van de transactiewaardemethode – dat kan niet zomaar!

Wanneer de Douane, bijvoorbeeld naar aanleiding van een controle, van mening is dat in tegenstelling tot hetgeen de aangever heeft aangevoerd, de transactiewaarde van de ingevoerde goederen niet kan dienen om de douanewaarde te bepalen, kan de inspecteur de aangegeven waarde niet zomaar verwerpen. In de wetgeving zijn nadere regels hieromtrent vastgelegd. In deze bijdrage leggen wij uit hoe deze moeten worden geïnterpreteerd.  Lees meer

Vertrouwensbeginsel – bestaat het nog?

“Ik kon er niets aan doen, dan hoef ik toch ook niet te betalen?!” Een uitgangspunt dat in het dagelijks leven wellicht vaak mag gelden, maar in het douanerecht is dat zeker niet het geval. Ook de aangever die belast wordt voor een douaneschuld terwijl hij niets kon doen aan de onjuiste goederencode, oorsprong of douanewaarde wordt gewoon belast. Daar is slechts één uitzondering op, namelijk als het vertrouwensbeginsel van toepassing is. Dat beginsel is echter maar in een beperkt aantal gevallen toepasbaar. Lees meer

Nieuwe eisen vertegenwoordiging: lege huls of grote gevolgen?

Veel aangiften worden gedaan met toepassing van vertegenwoordiging. De communautaire wetgeving biedt de mogelijkheid om hier aanvullende eisen voor vast te stellen. Zo was onder het CDW in Nederland indirecte vertegenwoordiging slechts mogelijk voor een partij die de vergunning toegelaten douane-expediteur had. Met de komst van het DWU is er in Nederland voor gekozen om aanvullende voorwaarden te stellen voor elke vorm van vertegenwoordiging. Een vertegenwoordiger móet namelijk voldoen aan de AEO-vereisten. Vanaf 1 juli 2017 gelden ook nog andere aanvullende voorwaarden. Maar zijn deze eisen wel te handhaven en hebben deze eisen wel een voldoende wettelijke grondslag? Lees meer

Douane en strafrecht: “ik heb niets te verbergen”

De strafrechtelijke afhandeling van onregelmatigheden is binnen het douanerecht is vaak een onbekend terrein. Op zich geen reden voor paniek, zolang het maar niet voor u of uw werkgever van toepassing is. We zien echter vaak dat de put pas wordt gedempt, als het kalf als is verdronken. Ofwel, dat te laat maatregelen worden genomen en advies wordt ingewonnen. Dit terwijl u uzelf een hoop onheil kunt besparen als u weet wat u moet doen en wat uw rechten en plichten zijn. In een binnenkort te verschijnen nieuwsbrief over het douanestrafrecht gaan wij uitgebreid in op dit onderwerp en de do’s en dont’s . In deze bijdrage alvast een introductie in de relevante onderwerpen. Lees meer

De douanevergunning met terugwerkende kracht, hoe zit dat?

Voor diverse douaneregelingen is een vergunning nodig. Die vergunning kan worden gebruikt vanaf het moment dat deze is afgegeven, maar in bepaalde omstandigheden kan de vergunning ook worden verleend met terugwerkende kracht. Die terugwerkende kracht geldt echter niet oneindig. Met de komst van het DWU zijn de mogelijkheden gewijzigd. Een vergunning kan maximaal tot het moment van de aanvaarding van de aanvraag worden toegepast of er moet sprake zijn van buitengewone omstandigheden. Maar is daar wel snel sprake van? Lees meer

Douanetip 27: Complicaties bij antidumpingheffing

Een van de rechten die bij invoer wordt geheven zijn antidumpingheffingen. Antidumpingheffing wordt geheven om te voorkomen dat goederen tegen een hele lage prijs in de EU worden verkocht, ofwel gedumpt. Veelal zijn dit hoge rechten. Bijgevolg wordt door leveranciers geprobeerd om onder deze rechten uit te komen. Hierdoor controleert de Douane juist weer meer en neemt extra maatregelen. Hoe borgt u nu dat u niet onaangenaam wordt verrast? Lees meer

De classificatie van (onder) delen

Het blijft moeilijk zo blijkt uit de praktijk. Het indelen van delen van een machine, apparaat of een toestel. Regelmatig worden de verkeerde keuzes gemaakt. Dan wordt gekozen voor de makkelijkste weg, het indelen als een deel van de machine, van het apparaat of van het toestel. Want, zo luidt de motivering, dat is het toch ook, daar wordt het toch ook daadwerkelijk voor gebruikt. Het klinkt logisch, maar deze manier van indelen is toch niet echt verantwoord. Voorkom problemen en stel voordat de aangifte wordt gedaan vast welke code de juiste is. Lees meer

Douanetip 26: DDP en vertegenwoordiging gaan niet samen!

Bij internationale handelsovereenkomsten wordt veelal gebruik gemaakt van standaardvoorwaarden. De meest gebruikte voorwaarden zijn de de Incoterms® 2010.  Hierin wordt vastgelegd welke verplichtingen koper en verkoper op zich nemen. Bij DDP betekent dit dat de verkoper zorg zal dragen voor het ‘inklaren’ van de goederen en dus ook de invoerrechten betaalt. Het komt echter ook vaker voor dat de verkoper buiten de EU is gevestigd en de koper-importeur wordt verzocht of hij als opdrachtgever wil fungeren om zodoende de BTW te verleggen. En vaak wordt dan ook een volmacht voor directe vertegenwoordiging gevraagd. Gaat dat echter wel samen? Lees meer

Douane & bedrijfsleven: kat en muis-spel? Hof van Justitie (ECLI:EU:C:2016:716)

Douane & bedrijfsleven: kat en muis-spel? Kawasaki Motors Europe NV, Hof van Justitie 22 september 2016, C-91/15,  (ECLI:EU:C:2016:716)

In onze nieuwsbrief schrijven we vaak over jurisprudentie en behandelen we dan wat het oordeel van een rechterlijk college is. Deze keer toch een andere kijk op de rechtspraak, of wellicht beter gesteld, de wijze waarop geschillen tussen Douane & bedrijfsleven verlopen. In mijn beleving is er namelijk lang niet altijd sprake van een neutrale en transparante positie van de Europese Commissie en de douaneautoriteiten bij het innemen van rechtsposities. En al helemaal niet als we het over de classificatie hebben.

Wat bedoel ik daarmee? Mijn, wellicht wat naïeve, opvatting is dat het in ieder geval douaneautoriteiten niet veel zou moeten interesseren of een laag of hoog tarief wordt betaald. De norm en ratio die douaneautoriteiten zouden moeten hanteren is of het ‘juiste tarief’ wordt gehanteerd. Deze houding zou ook van de Europese Commissie mogen worden verwacht, maar goed, de Europese Commissie is tevens verantwoordelijk voor inkomsten en uitgaven van de Europese schatkist.

De ervaring leert dat douaneautoriteiten en Europese Commissie lang niet altijd deze heldere en duidelijke norm centraal stellen. Het lijkt er veel meer op dat er een fiscale moraal heerst met als basisgedachte: “Als we iets hoger kunnen belasten, dan gaan we er voor!”. Misschien dat de lezer van dit artikel dit wat populistisch vindt van mij, maar ik zal dat toelichten aan de hand van drie duidelijke voorbeelden op verschillende niveaus. Het zijn overigens slechts enkele van de vele voorbeelden die we de laatste jaren voorbij zien komen.

Melk- of weipermeaat

Het was in 2015 dat persberichten van het Openbaar Ministerie informeerden over een omvangrijke douanefraude met weipermeaat dat eigenlijk melkpermeaat zou zijn. Een onjuiste classificatie in het douanetarief dus. De details kunt u zo nodig opzoeken. Echter, stond die (veronderstelde onjuiste) classificatie wel echt vast? Nee dus, zo mag overduidelijk blijken uit het feit dat het Comité Douanewetboek, afdeling tarief- en statistieknomenclatuur langere tijd heeft gediscussieerd over de classificatie van deze producten. Terwijl in 2015 invallen plaatsvonden door de FIOD, was al vanaf juni 2014 duidelijk dat de lidstaten wel heel verschillend dachten over de indeling van deze producten. Dat blijkt uit de verslagen van het Comité, bestaande uit afgevaardigden van de douaneautoriteiten van de lidstaten en de Europese Commissie. Het Comité kan onder meer initiatieven nemen en adviezen schrijven voor indelingsverordeningen, toelichtingen en aantekeningen.

Vanaf juni 2014 tot en met februari 2016 heeft het Comité, in zes vergaderingen, gediscussieerd over de classificatie. Aanvankelijk werd een indelingsverordening voorgesteld, maar hierover konden de lidstaten het niet eens worden. Vijf lidstaten hadden verschillende en volledig tegenstrijdige standpunten. Zo stelde de ene lidstaat dat melkzuur geen juist onderscheidend criterium zou zijn, terwijl de andere lidstaat juist pleit om in de toelichting op de indeling een minimumdrempel aan melkzuur te vermelden. Een andere lidstaat concludeert dat er helemaal geen verschil in indeling moet plaatsvinden. Maar al deze standpunten ten spijt, die verordening is het niet geworden.

Uiteindelijk heeft het tot februari 2016 geduurd voordat een eensluidend standpunt is ingenomen in de vorm van een aantekening in de gecombineerde nomenclatuur. In 2014 had de inspecteur van Douane Nederland echter al een classificatiestandpunt ingenomen en in 2015 is dus het strafrechtelijk onderzoek gestart. En laat nu, althans zoals ik het kan beoordelen, het classificatiestandpunt van de inspecteur haaks staan op het standpunt dat door het Comité is ingenomen en in de aantekening is vervat.

Waarover ik mij in deze echter nog wel het meest verbaas, zijn een aantal zinnen in de verslagen van het Comité, waaruit ik opmaak dat niet zozeer de juiste code voorop staat, maar vooral de fiscale gevolgen. Zo is namelijk in het verslag van oktober 2014 te lezen:

“It was highlighted that both headings are subject to the payment of customs duties of 7 € per 100 kg, which is much less than the duty rate for the milk permeate of subheading 0404 90 21 (100.4
€ per 100 kg). Thus, the financial impact on the EU budget is considerable. In addition, diverging BTIs have been issued by several Member States showing that there is no harmonised approach throughout the EU in relation to the classification of milk permeates. Participants were also informed that two recovery actions are currently ongoing in two Member States. Therefore, in order to avoid any further loss in the European budget, it is essential to find a uniform approach for the classification of these permeates.”

Het is eigenlijk haast een wonder, dat uiteindelijk een standpunt is ingenomen dat niet per definitie pro-hoog belast is. Dat spreekt dan wel weer tegen mijn stellingname. Anderzijds, blijkt uit dit verslag toch vooral ook duidelijk dat de discussie binnen het Comité niet zozeer gevoed wordt door de juridische juistheid van de classificatie op basis van de wettelijke regels en hulpmiddelen (bijvoorbeeld in de vorm van toelichtingen), maar blijkbaar toch vooral fiscale consequenties en belangen de doorslag geven. Dat lijkt mij “im Grunde genommen” geen juiste en evenmin een zuivere benadering.

Overigens moet de Douanekamer van het Gerechtshof Amsterdam zich nog uitspreken over de classificatie in de onderhavige kwestie. Een en ander wordt dus nog vervolgd.

Kerstfeestartikelen

Een ander voorbeeld van niet aflatend enthousiasme van de douaneautoriteiten om standpunten in te nemen voor hoog belaste goederencodes betreft de classificatie van kerstfeestartikelen. Overigens moet natuurlijk ook worden opgemerkt dat het bedrijfsleven blijkbaar de laag belaste code wenst te hanteren en te verdedigen, maar dat lijkt me nu ook net het recht van het bedrijfsleven en geen gunst.

Na een lange procesvoering heeft de Hoge Raad in 2009 beslist (ECLI:NL:HR:2009:BI0577) dat kerstfeestartikelen in de zin van GS-onderverdeling 9505 10 niet alleen producten betreffen waarvan de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan rechtstreeks en specifiek verband houden met het kerstfeest. Ook een meer verwijderd verband sluit goederen niet uit van indeling onder deze post, aldus de Hoge Raad.

Blijkbaar waren de overwegingen en de richting van dit arrest nog onvoldoende duidelijk, want direct daarna nam de Douane bij dezelfde importeur van kerstfeestartikelen toch weer standpunten in contra-indeling als kerstfeestartikel. Procedures bij de Rechtbank en uiteindelijk in 2014 het Gerechtshof (ECLI:NL:GHAMS:2014:181) waren nodig om alsnog grotendeels gelijk te krijgen. Eerlijk is eerlijk, de importeur werd ook voor een deel in het ongelijk gesteld, maar dan wel voor een klein deel. Conclusie was dus dat de Douane voor een groot deel van de producten ten onrechte voorschreef dat indeling in een hoog belaste goederencode moest plaatsvinden.

Na een uitspraak van de Hoge Raad in 2009 en een uitspraak van de Douanekamer van het Gerechtshof leek de storm geluwd. De Staatssecretaris stelde ook geen beroep in cassatie in, dus einde discussie. Toch niet!

Eind december 2016 liet de Europese Commissie zich namelijk horen over de indeling van kerstfeestartikelen in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2016/2222, waarmee een aanvullende aantekening (GN) werd ingevoerd.

De Europese Commissie overweegt onder meer:

(2) Onderverdeling 9505 10 van de gecombineerde nomenclatuur omvat kerstfeestartikelen.

(3) De GS-toelichting op onderverdeling 9505, punt A), 1) en 2), bevat richtsnoeren over de interpretatie van de term „kerstfeestartikelen”. Er bestaan echter nog steeds uiteenlopende standpunten over de vraag welke artikelen al dan niet onder onderverdeling 9505 10 vallen.

(4) Ter wille van de rechtszekerheid moet de draagwijdte van onderverdeling 9505 10 worden verduidelijkt door een onderscheid te maken tussen traditionele kerstfeestartikelen als bedoeld in de GS-toelichting bij onderverdeling 9505, punt A), 1) en 2), en andere decoratieve artikelen die tijdens de winter doorgaans als versiering worden gebruikt.

Het mag duidelijk zijn dat deze aanvullende aantekening de reactie is op de uitspraak van de Douanekamer en het eerdere arrest van de Hoge Raad. Wellicht is u inmiddels ook duidelijk waarom ik de ‘ondertitel’ kat en muis heb gekozen.

Kawasaki

Kan het dan nog erger, vraagt u zich wellicht af? Naar mijn mening wel en daarvoor gaan we naar een recent arrest van het Hof van Justitie over een zaak die echter al bijna 25 jaar speelt. Het betreft het arrest van het Hof van Justitie van 22 september 2016 in de zaak Kawasaki (ECLI:EU:C:2016:716).

Het gaat over de indeling van een voertuig dat al in 1992 onderwerp van discussie was en waarbij Kawasaki en de Nederlandse Douane elkaar keer op keer tegenkomen in de rechtszaal. Elke keer gaat het om de vraag of moet worden ingedeeld in 8701 9090 (belast met 7%) of in 8701 9011 – 8701 9050 (vrijgesteld van rechten).

Recent heeft het Hof van Justitie dus uitspraak gedaan, maar eerst een opsomming om enig historisch perspectief van deze zaak te zien:

  • 1992: BTI’s werden door de Nederlandse Douane afgegeven voor een andere code dan die welke Kawasaki voorstond. Kawasaki is in bezwaar gegaan en vervolgens in beroep bij de Tariefcommissie. De Tariefcommissie stelde Kawasaki in 1995 in het gelijk (UTC 1995/39).
  • Op basis van voornoemde uitspraak heeft de Nederlandse Douane op 28 april 1995 nieuwe BTI’s afgegeven voor de goederencode die Kawasaki voorstond.
  • Omdat deze BTI’s na zes jaar niet meer geldig waren, heeft Kawasaki op 20 juni 2001 nieuwe BTIs aangevraagd. Deze heeft de inspecteur op 21 augustus 2001 afgegeven en de goederen ingedeeld in 8703 2110, waarbij de goederen werden ingedeeld als automobielen voor personenvervoer. Dit was niet de code die Kawasaki had aangevraagd. Hierbij werd Verordening (EG) nr. 2518/98 als grondslag gehanteerd.
  • Tegen deze BTI’s is wederom bezwaar en beroep ingediend. Het beroep is behandeld door de Douanekamer van het Gerechtshof Amsterdam, die prejudiciële vragen heeft gesteld.
  • Deze prejudiciële vragen zijn beantwoord door het Hof van Justitie in haar uitspraak van 27 april 2006 (C-15/05, Douanerechtspraak 2007/31). Het Hof oordeelde dat de indelingsverordening ongeldig was en dat indeling moest plaatsvinden in 8701 90 11 en 8701 9020.
  • Daarna zijn op 12 januari 2009 nieuwe BTI’s afgegeven. Een lang leven hebben deze BTI’s echter niet gehad, want op 3 december 2009 liet de Nederlandse Douane aan Kawasaki weten dat de BTI’s niet meer geldig waren, omdat indeling moest plaatsvinden conform Verordening (EG) nr. 1051/2009.
  • Hiertegen heeft Kawasaki weer bezwaar en beroep ingediend. Het Gerechtshof Amsterdam heeft – wederom – prejudiciële vragen gesteld.
  • Uiteindelijk heeft het Hof van Justitie dan nu, in 2016, uitspraak gedaan op deze prejudiciële vragen.

De uitspraak van het Hof van Justitie is niet zo opzienbarend en stelt dat de indelingsverordening – wederom – ongeldig is. Dat is ook niet vreemd. De classificatie die de Nederlandse Douane – en de Europese Commissie – voor ogen had, was in 1995 niet juist (Tariefcommissie), was in 2006 niet juist (Hof van Justitie) en is nu nog steeds niet juist. Elke keer worden wel weer indelingsverordeningen gemaakt, maar dat maakt niet dat de douaneautoriteiten dan alsnog een juist en rechtmatig standpunt kunnen innemen. Dat blijkt wel uit het arrest in deze zaak, de indelingsverordening wordt niet voor niets ongeldig verklaard.

Juist in deze zaak lijkt de indeling toch echt op een kat en muis-spel.  Met de Europese Commissie en de lidstaten, in dit licht vooral Nederland, als kat en Kawasaki als muis. Een spel dat zich zou moeten afspelen binnen het speelveld van wetgeving op wereldwijd en Europees niveau. Wetgeving die op zichzelf duidelijk zou moeten zijn, maar die blijkbaar ruimte biedt om te discussiëren over de interpretatie en toepassing ervan. Echter, als dan één keer een uitspraak is gedaan door een rechter (over het geldende wettelijke kader), dan is dat blijkbaar niet reden om het er bij te laten zitten, maar juist reden om de wetgeving te wijzigen. En dat tot twee keer toe. Eerst is immers – mede of uitsluitend naar aanleiding van de rechterlijke uitspraak – Verordening (EG) nr. 2518/98 afgekondigd. Deze verordening is door het Hof in 2006 ongeldig verklaard. Daarna is er blijkbaar alles aan gedaan om het gat – om in kat en muis jargon te blijven – toch weer te dichten. Uiteindelijk is immers de indeling van dezelfde goederen gewijzigd door Verordening (EG) nr. 1051/2009. Nu blijkt echter dat ook dit een muizenval is die niet mag worden gehanteerd.

AEO en monitoring: risico of kans?

Uw onderneming heeft wellicht al enige jaren een AEO-vergunning (“Authorised Economic Operator”). Dan heef u inmiddels ook al enige bureautoetsen en wellicht een veldtoets achter de rug. Om die met goed gevolg te kunnen doorstaan, moet u aan de douane-auditors kunnen aantonen dat u in control bent. Daartoe dient u de processen waarop AEO ziet te monitoren. Dit wordt in veel ondernemingen als een noodzakelijk kwaad gezien. Ondernemers zijn druk met ondernemen. Daarbij is “douane”, laat staan AEO en monitoring, vaak niet de “core-bussiness”. Echter, als u de gedachte van AEO doorgrondt, dan is het logisch om daadwerkelijk te willen voldoen aan de AEO-monitoringseisen en biedt dit ook kansen aan uw onderneming. In dit artikel ga ik in op de kansen die AEO-monitoring uw onderneming biedt. Lees meer