Jurisprudentie

Douane & bedrijfsleven: kat en muis-spel? Hof van Justitie (ECLI:EU:C:2016:716)

Douane & bedrijfsleven: kat en muis-spel? Kawasaki Motors Europe NV, Hof van Justitie 22 september 2016, C-91/15,  (ECLI:EU:C:2016:716)

In onze nieuwsbrief schrijven we vaak over jurisprudentie en behandelen we dan wat het oordeel van een rechterlijk college is. Deze keer toch een andere kijk op de rechtspraak, of wellicht beter gesteld, de wijze waarop geschillen tussen Douane & bedrijfsleven verlopen. In mijn beleving is er namelijk lang niet altijd sprake van een neutrale en transparante positie van de Europese Commissie en de douaneautoriteiten bij het innemen van rechtsposities. En al helemaal niet als we het over de classificatie hebben.

Wat bedoel ik daarmee? Mijn, wellicht wat naïeve, opvatting is dat het in ieder geval douaneautoriteiten niet veel zou moeten interesseren of een laag of hoog tarief wordt betaald. De norm en ratio die douaneautoriteiten zouden moeten hanteren is of het ‘juiste tarief’ wordt gehanteerd. Deze houding zou ook van de Europese Commissie mogen worden verwacht, maar goed, de Europese Commissie is tevens verantwoordelijk voor inkomsten en uitgaven van de Europese schatkist.

De ervaring leert dat douaneautoriteiten en Europese Commissie lang niet altijd deze heldere en duidelijke norm centraal stellen. Het lijkt er veel meer op dat er een fiscale moraal heerst met als basisgedachte: “Als we iets hoger kunnen belasten, dan gaan we er voor!”. Misschien dat de lezer van dit artikel dit wat populistisch vindt van mij, maar ik zal dat toelichten aan de hand van drie duidelijke voorbeelden op verschillende niveaus. Het zijn overigens slechts enkele van de vele voorbeelden die we de laatste jaren voorbij zien komen.

Melk- of weipermeaat

Het was in 2015 dat persberichten van het Openbaar Ministerie informeerden over een omvangrijke douanefraude met weipermeaat dat eigenlijk melkpermeaat zou zijn. Een onjuiste classificatie in het douanetarief dus. De details kunt u zo nodig opzoeken. Echter, stond die (veronderstelde onjuiste) classificatie wel echt vast? Nee dus, zo mag overduidelijk blijken uit het feit dat het Comité Douanewetboek, afdeling tarief- en statistieknomenclatuur langere tijd heeft gediscussieerd over de classificatie van deze producten. Terwijl in 2015 invallen plaatsvonden door de FIOD, was al vanaf juni 2014 duidelijk dat de lidstaten wel heel verschillend dachten over de indeling van deze producten. Dat blijkt uit de verslagen van het Comité, bestaande uit afgevaardigden van de douaneautoriteiten van de lidstaten en de Europese Commissie. Het Comité kan onder meer initiatieven nemen en adviezen schrijven voor indelingsverordeningen, toelichtingen en aantekeningen.

Vanaf juni 2014 tot en met februari 2016 heeft het Comité, in zes vergaderingen, gediscussieerd over de classificatie. Aanvankelijk werd een indelingsverordening voorgesteld, maar hierover konden de lidstaten het niet eens worden. Vijf lidstaten hadden verschillende en volledig tegenstrijdige standpunten. Zo stelde de ene lidstaat dat melkzuur geen juist onderscheidend criterium zou zijn, terwijl de andere lidstaat juist pleit om in de toelichting op de indeling een minimumdrempel aan melkzuur te vermelden. Een andere lidstaat concludeert dat er helemaal geen verschil in indeling moet plaatsvinden. Maar al deze standpunten ten spijt, die verordening is het niet geworden.

Uiteindelijk heeft het tot februari 2016 geduurd voordat een eensluidend standpunt is ingenomen in de vorm van een aantekening in de gecombineerde nomenclatuur. In 2014 had de inspecteur van Douane Nederland echter al een classificatiestandpunt ingenomen en in 2015 is dus het strafrechtelijk onderzoek gestart. En laat nu, althans zoals ik het kan beoordelen, het classificatiestandpunt van de inspecteur haaks staan op het standpunt dat door het Comité is ingenomen en in de aantekening is vervat.

Waarover ik mij in deze echter nog wel het meest verbaas, zijn een aantal zinnen in de verslagen van het Comité, waaruit ik opmaak dat niet zozeer de juiste code voorop staat, maar vooral de fiscale gevolgen. Zo is namelijk in het verslag van oktober 2014 te lezen:

“It was highlighted that both headings are subject to the payment of customs duties of 7 € per 100 kg, which is much less than the duty rate for the milk permeate of subheading 0404 90 21 (100.4
€ per 100 kg). Thus, the financial impact on the EU budget is considerable. In addition, diverging BTIs have been issued by several Member States showing that there is no harmonised approach throughout the EU in relation to the classification of milk permeates. Participants were also informed that two recovery actions are currently ongoing in two Member States. Therefore, in order to avoid any further loss in the European budget, it is essential to find a uniform approach for the classification of these permeates.”

Het is eigenlijk haast een wonder, dat uiteindelijk een standpunt is ingenomen dat niet per definitie pro-hoog belast is. Dat spreekt dan wel weer tegen mijn stellingname. Anderzijds, blijkt uit dit verslag toch vooral ook duidelijk dat de discussie binnen het Comité niet zozeer gevoed wordt door de juridische juistheid van de classificatie op basis van de wettelijke regels en hulpmiddelen (bijvoorbeeld in de vorm van toelichtingen), maar blijkbaar toch vooral fiscale consequenties en belangen de doorslag geven. Dat lijkt mij “im Grunde genommen” geen juiste en evenmin een zuivere benadering.

Overigens moet de Douanekamer van het Gerechtshof Amsterdam zich nog uitspreken over de classificatie in de onderhavige kwestie. Een en ander wordt dus nog vervolgd.

Kerstfeestartikelen

Een ander voorbeeld van niet aflatend enthousiasme van de douaneautoriteiten om standpunten in te nemen voor hoog belaste goederencodes betreft de classificatie van kerstfeestartikelen. Overigens moet natuurlijk ook worden opgemerkt dat het bedrijfsleven blijkbaar de laag belaste code wenst te hanteren en te verdedigen, maar dat lijkt me nu ook net het recht van het bedrijfsleven en geen gunst.

Na een lange procesvoering heeft de Hoge Raad in 2009 beslist (ECLI:NL:HR:2009:BI0577) dat kerstfeestartikelen in de zin van GS-onderverdeling 9505 10 niet alleen producten betreffen waarvan de objectieve kenmerken en eigenschappen ervan rechtstreeks en specifiek verband houden met het kerstfeest. Ook een meer verwijderd verband sluit goederen niet uit van indeling onder deze post, aldus de Hoge Raad.

Blijkbaar waren de overwegingen en de richting van dit arrest nog onvoldoende duidelijk, want direct daarna nam de Douane bij dezelfde importeur van kerstfeestartikelen toch weer standpunten in contra-indeling als kerstfeestartikel. Procedures bij de Rechtbank en uiteindelijk in 2014 het Gerechtshof (ECLI:NL:GHAMS:2014:181) waren nodig om alsnog grotendeels gelijk te krijgen. Eerlijk is eerlijk, de importeur werd ook voor een deel in het ongelijk gesteld, maar dan wel voor een klein deel. Conclusie was dus dat de Douane voor een groot deel van de producten ten onrechte voorschreef dat indeling in een hoog belaste goederencode moest plaatsvinden.

Na een uitspraak van de Hoge Raad in 2009 en een uitspraak van de Douanekamer van het Gerechtshof leek de storm geluwd. De Staatssecretaris stelde ook geen beroep in cassatie in, dus einde discussie. Toch niet!

Eind december 2016 liet de Europese Commissie zich namelijk horen over de indeling van kerstfeestartikelen in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2016/2222, waarmee een aanvullende aantekening (GN) werd ingevoerd.

De Europese Commissie overweegt onder meer:

(2) Onderverdeling 9505 10 van de gecombineerde nomenclatuur omvat kerstfeestartikelen.

(3) De GS-toelichting op onderverdeling 9505, punt A), 1) en 2), bevat richtsnoeren over de interpretatie van de term „kerstfeestartikelen”. Er bestaan echter nog steeds uiteenlopende standpunten over de vraag welke artikelen al dan niet onder onderverdeling 9505 10 vallen.

(4) Ter wille van de rechtszekerheid moet de draagwijdte van onderverdeling 9505 10 worden verduidelijkt door een onderscheid te maken tussen traditionele kerstfeestartikelen als bedoeld in de GS-toelichting bij onderverdeling 9505, punt A), 1) en 2), en andere decoratieve artikelen die tijdens de winter doorgaans als versiering worden gebruikt.

Het mag duidelijk zijn dat deze aanvullende aantekening de reactie is op de uitspraak van de Douanekamer en het eerdere arrest van de Hoge Raad. Wellicht is u inmiddels ook duidelijk waarom ik de ‘ondertitel’ kat en muis heb gekozen.

Kawasaki

Kan het dan nog erger, vraagt u zich wellicht af? Naar mijn mening wel en daarvoor gaan we naar een recent arrest van het Hof van Justitie over een zaak die echter al bijna 25 jaar speelt. Het betreft het arrest van het Hof van Justitie van 22 september 2016 in de zaak Kawasaki (ECLI:EU:C:2016:716).

Het gaat over de indeling van een voertuig dat al in 1992 onderwerp van discussie was en waarbij Kawasaki en de Nederlandse Douane elkaar keer op keer tegenkomen in de rechtszaal. Elke keer gaat het om de vraag of moet worden ingedeeld in 8701 9090 (belast met 7%) of in 8701 9011 – 8701 9050 (vrijgesteld van rechten).

Recent heeft het Hof van Justitie dus uitspraak gedaan, maar eerst een opsomming om enig historisch perspectief van deze zaak te zien:

  • 1992: BTI’s werden door de Nederlandse Douane afgegeven voor een andere code dan die welke Kawasaki voorstond. Kawasaki is in bezwaar gegaan en vervolgens in beroep bij de Tariefcommissie. De Tariefcommissie stelde Kawasaki in 1995 in het gelijk (UTC 1995/39).
  • Op basis van voornoemde uitspraak heeft de Nederlandse Douane op 28 april 1995 nieuwe BTI’s afgegeven voor de goederencode die Kawasaki voorstond.
  • Omdat deze BTI’s na zes jaar niet meer geldig waren, heeft Kawasaki op 20 juni 2001 nieuwe BTIs aangevraagd. Deze heeft de inspecteur op 21 augustus 2001 afgegeven en de goederen ingedeeld in 8703 2110, waarbij de goederen werden ingedeeld als automobielen voor personenvervoer. Dit was niet de code die Kawasaki had aangevraagd. Hierbij werd Verordening (EG) nr. 2518/98 als grondslag gehanteerd.
  • Tegen deze BTI’s is wederom bezwaar en beroep ingediend. Het beroep is behandeld door de Douanekamer van het Gerechtshof Amsterdam, die prejudiciële vragen heeft gesteld.
  • Deze prejudiciële vragen zijn beantwoord door het Hof van Justitie in haar uitspraak van 27 april 2006 (C-15/05, Douanerechtspraak 2007/31). Het Hof oordeelde dat de indelingsverordening ongeldig was en dat indeling moest plaatsvinden in 8701 90 11 en 8701 9020.
  • Daarna zijn op 12 januari 2009 nieuwe BTI’s afgegeven. Een lang leven hebben deze BTI’s echter niet gehad, want op 3 december 2009 liet de Nederlandse Douane aan Kawasaki weten dat de BTI’s niet meer geldig waren, omdat indeling moest plaatsvinden conform Verordening (EG) nr. 1051/2009.
  • Hiertegen heeft Kawasaki weer bezwaar en beroep ingediend. Het Gerechtshof Amsterdam heeft – wederom – prejudiciële vragen gesteld.
  • Uiteindelijk heeft het Hof van Justitie dan nu, in 2016, uitspraak gedaan op deze prejudiciële vragen.

De uitspraak van het Hof van Justitie is niet zo opzienbarend en stelt dat de indelingsverordening – wederom – ongeldig is. Dat is ook niet vreemd. De classificatie die de Nederlandse Douane – en de Europese Commissie – voor ogen had, was in 1995 niet juist (Tariefcommissie), was in 2006 niet juist (Hof van Justitie) en is nu nog steeds niet juist. Elke keer worden wel weer indelingsverordeningen gemaakt, maar dat maakt niet dat de douaneautoriteiten dan alsnog een juist en rechtmatig standpunt kunnen innemen. Dat blijkt wel uit het arrest in deze zaak, de indelingsverordening wordt niet voor niets ongeldig verklaard.

Juist in deze zaak lijkt de indeling toch echt op een kat en muis-spel.  Met de Europese Commissie en de lidstaten, in dit licht vooral Nederland, als kat en Kawasaki als muis. Een spel dat zich zou moeten afspelen binnen het speelveld van wetgeving op wereldwijd en Europees niveau. Wetgeving die op zichzelf duidelijk zou moeten zijn, maar die blijkbaar ruimte biedt om te discussiëren over de interpretatie en toepassing ervan. Echter, als dan één keer een uitspraak is gedaan door een rechter (over het geldende wettelijke kader), dan is dat blijkbaar niet reden om het er bij te laten zitten, maar juist reden om de wetgeving te wijzigen. En dat tot twee keer toe. Eerst is immers – mede of uitsluitend naar aanleiding van de rechterlijke uitspraak – Verordening (EG) nr. 2518/98 afgekondigd. Deze verordening is door het Hof in 2006 ongeldig verklaard. Daarna is er blijkbaar alles aan gedaan om het gat – om in kat en muis jargon te blijven – toch weer te dichten. Uiteindelijk is immers de indeling van dezelfde goederen gewijzigd door Verordening (EG) nr. 1051/2009. Nu blijkt echter dat ook dit een muizenval is die niet mag worden gehanteerd.

Hoge Raad bevestigt oordeel Hof van Justitie: begrip communautaire veredelaars (ECLI:NL:HR:2016:2784)

In augustus 2016 berichtten wij u over het begrip communautaire veredelaars naar aanleiding van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. De casus in het kort: Argos Supply Trading BV had een aanvraag voor een vergunning passieve veredeling ingediend voor de veredeling van ethanol 85 (eindproduct). Ethanol 85 werd geproduceerd door benzine en bio-ethanol – dit zijn grondstoffen of halffabricaten – te vermengen in een schip op volle zee. De Douane stelde dat producenten van bio-ethanol werden benadeeld door de afgifte van de vergunning, aangezien ethanol 85 rechtstreeks zou concurreren met bio-ethanol dat in de Unie werd geproduceerd.

Het Hof van Justitie oordeelde – net als de Douane – dat niet alleen rekening moet worden gehouden met de belangen van communautaire veredelaars van soortgelijke producten (in dit geval ethanol 85), maar ook met de belangen van communautaire producenten van niet-communautaire grondstoffen of halffabricaten (hier dus de bio-ethanol). De Hoge Raad volgt het Hof van Justitie en stelt de Douane in het gelijk.

Fatale schending verdedigingsbeginsel leidt tot vernietiging UTB (ECLI:NL:HR:2016:2077)

Zoals u wellicht weet, voert ons kantoor een groot aantal gerechtelijke procedures over formeelrechtelijke aspecten. Het recht op verdediging en de schending hiervan is een belangrijk en terugkerend onderwerp. Een groot aantal uitspraken staan op onze naam, waaronder het arrest van het Hof van Justitie van 3 juli 2014 in de zaak Kamino / Datema.

Afgelopen vrijdag heeft de Hoge Raad weer een belangrijk, interessant en bovenal positief arrest gewezen in een door ons gevoerde cassatieprocedure. De UTB’s dateren alweer van enige tijd geleden – 2003 – maar worden nu definitief vernietigd. Dit terwijl de inspecteur in bezwaar, maar ook de rechtbank en eveneens het gerechtshof tot de conclusie kwamen dat de UTB’s in stand moesten blijven.

Wat was het geval? Belanghebbende heeft aangiften gedaan voor douanevervoer van knoflook. Deze goederen kwamen echter uiteindelijk niet bij het kantoor van bestemming. Achteraf bleek dat onregelmatigheden waren gepleegd, maar daar waren noch belanghebbende noch haar opdrachtgever van op de hoogte. De FIOD was wel al van een en ander op de hoogte, maar greep niet in. Belanghebbende was, nadat deze op de hoogte kwam van de onregelmatigheden, zelf direct naar de Douane gegaan om een en ander te melden. Dat leidde er echter niet toe dat de UTB’s van tafel gingen. Wel was de Douane later bereid, in bezwaar, om een lager bedrag als zijnde schikking te accepteren.

Waarom nu schending van het recht op verdediging? Nadat de Douane bekend werd dat de goederen niet waren aangekomen, heeft zij een mededeling niet-zuivering gestuurd. Nadat de termijn om op deze mededeling te reageren verlopen was, heeft zij direct de UTB opgelegd. Zonder dus eerst een voornemen te sturen. De inspecteur heeft altijd volgehouden dat een voornemen helemaal niet nodig was, juist omdat de mededeling niet-zuivering al voldoende zou zijn. Ook was het mogelijk, zo vond de inspecteur, om nog in bezwaar punten aan te voeren. Dat is een onjuiste redenering en conclusie en daar heeft de Hoge Raad nu een stokje voor gestoken.

Een mededeling niet-zuivering zonder een voornemen is niet genoeg. Daarom was het recht op verdediging wél geschonden. Dan is vervolgens de vraag welke gevolg dit moet hebben. Omdat later bleek, in bezwaar, dat de inspecteur bereid was om een lager bedrag (schikking) te accepteren, concludeerde de Hoge Raad dat terdege een andere uitkomst mogelijk was geweest als voorafgaand aan de UTB al overleg zou zijn gevoerd. Dat was voor de Hoge Raad voldoende om de UTB’s nu definitief en volledig te vernietigen.

Een andere conclusie die uit dit arrest kan worden getrokken, is dat niet uitsluitend van belang is of na de uitreiking daarvan verweermogelijkheden verloren zijn gegaan. Er moet veel breder worden gekeken of een andere uitkomst mogelijk was geweest, zou het recht op verdediging niet zijn geschonden.

Al met al is dit arrest dus bijzonder positief te noemen. Niet alleen voor onze cliënt, maar ook voor andere partijen wier recht op verdediging is geschonden. Wilt u meer informatie, neemt u dan gerust contact met ons op.

Verhuisboedelvrijstelling: Douane weigerde onterecht (ECLI:NL:HR:2016:1904)

We hebben reeds eerder in een nieuwsbrief aandacht besteed aan deze kwestie. Toen ging het echter over de uitspraak van het Hof van Justitie in de beantwoording van de prejudiciële vragen. Inmiddels heeft de Hoge Raad ook arrest gewezen.

Het betreft een zaak die ons kantoor heeft gevoerd bij de Hoge Raad, waarbij dus prejudiciële vragen zijn gesteld.  De procedure heeft betrekking op de vraag wat de normale verblijfplaats is in het kader van de verhuisboedelvrijstelling. Vooral voor expats is dit een interessante uitspraak.

Het Hof oordeelde dat het standpunt van de inspecteur onjuist is. Deze vond namelijk dat de persoonlijke bindingen (inclusief de vraag of volwassen kinderen al dan niet meeverhuizen) van groter belang zijn dan de duur waarop de belanghebbende in het buitenland is geweest. Het Hof van Justitie concludeerde dat wanneer een persoon persoonlijke bindingen heeft in twee landen, bijzonder belang moet worden gehecht aan de duur van het verblijf in het derde land.

Dit oordeel heeft de Hoge Raad – uiteraard – overgenomen en geconcludeerd dat wél de verhuisboedelvrijstelling moet worden verleend. Het heeft even geduurd – 5 jaar geleden werd de vrijstelling afgewezen – maar dan heb je ook wat?!

Ondanks eerdere controles toch antidumpingheffing verschuldigd (ECLI:NL:HR:2016:1902)

Het gaat in deze zaak over antidumpingheffing en niet-preferentiële oorsprong. Deze keer zijn het spaarlampen die uit Vietnam zouden komen, maar waarvan de Douane en OLAF stellen dat dit niet zo is, namelijk uit China. Daarom moeten hoge antidumpingheffingen worden betaald.

Cruciaal hierbij is het feit dat elf van de zeventien aangiften waarover wordt nagevorderd zijn gecontroleerd door de Douane. Die controles waren geen steekproefcontroles of controles naar de classificatie. De aangiften waren geselecteerd voor een onderzoek van de spaarlampen en hun (kleinhandels)verpakkingen naar mogelijke aanwijzingen met betrekking tot de niet-preferentiële oorsprong van de spaarlampen. Dit in verband met een bij de Douane bestaand algemeen vermoeden van ontwijking van de heffing van antidumpingrechten die verschuldigd zijn voor spaarlampen met de niet-preferentiële oorsprong China. In zeven gevallen is het aangekondigde onderzoek ook daadwerkelijk verricht. De Douane vond daarbij geen aanwijzingen dat de niet-preferentiële oorsprong van de spaarlampen China was.

Belanghebbende was van mening dat door deze controles niet kon worden nagevorderd. Het vertrouwensbeginsel verzet zich tegen navordering als eerder door de Douane is gecontroleerd en blijkbaar ten onrechte niet is nagevorderd, althans volgens belanghebbende. De Hoge Raad volgt dat oordeel niet.

Artikel 220 lid 2 letter b CDW (vertrouwensbeginsel) heeft volgens de Hoge Raad slechts werking als het de bevoegde autoriteiten “zelf” zijn geweest die de grondslag hebben gecreëerd voor dat gewettigd vertrouwen. Enkel de vergissingen die aan een actieve gedraging van de bevoegde autoriteiten zijn toe te schrijven, geven recht op niet-navordering. Nu bij de controle zelf geen duidelijke aanwijzingen bleken dat de goederen uit China kwamen, heeft de Douane geen vergissing begaan, aldus de Hoge Raad. Dat de Douane een “algemeen” vermoeden heeft, maakt dit niet anders.

Overigens vragen wij ons af of ook een verzoek tot terugbetaling ex artikel 239 CDW is ingediend. Wellicht dat dit nog succesvol kan worden afgerond.

UTB aan verkeerde rechtspersoon vernietigd (ECLI:NL:HR:2016:1903)

Deze zaak betreft een UTB die is opgelegd voor antidumpingheffing aan A BV. Het is echter X BV die procedeerde, omdat de Douane later stelde dat de UTB bedoeld was voor X BV. A BV was ten tijde van het doen van de invoeraangifte een zelfstandige te onderscheiden rechtspersoon. Later is zij door fusie opgegaan in X BV.

De Douanekamer van het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat redelijkerwijs geen misverstand erover kan hebben bestaan dat de UTB voor X BV was bestemd, ook al was deze niet op de juiste rechtspersoon te naam gesteld (namelijk op A BV). De Douanekamer oordeelde dat de onderneming dat ook zo wel had begrepen. De Douanekamer kwam tot dat oordeel aangezien X BV eerder een procedure heeft gevoerd over de invoeraangifte, naar aanleiding van de aankondiging van de UTB door X BV inhoudelijke communicatie heeft gevoerd en uit de bijlage bij de UTB onmiskenbaar blijkt dat de UTB een door X BV gedane aangifte betreft.

De Hoge Raad komt tot een ander oordeel. Deze oordeelt dat vaststaat dat het aanslagbiljet niet is gesteld op naam van de douaneschuldenaar (X BV), maar op naam van een andere rechtspersoon (A BV). De op het aanslagbiljet vermelde gegevens kunnen redelijkerwijs geen twijfel oproepen over de vraag voor wie het aanslagbiljet is bestemd, te weten die andere rechtspersoon. Daarom moet er ook van worden uitgegaan dat de UTB was bestemd voor degene op wiens naam deze was gesteld, namelijk A BV.

Hof van Justitie: begrip communautaire veredelaars (C 4/15, ECLI:EU:C:2016:580)

Bij de afgifte van een vergunning passieve veredeling worden de economische voorwaarden getoetst. Hierbij toetst de Douane of andere communautaire veredelaars niet worden benadeeld door de afgifte van de vergunning. Het Hof van Justitie heeft op 21 juli 2016 arrest gewezen (C-4/15) over de reikwijdte van het begrip “communautaire veredelaars”. Het ging in dit arrest met name om de vraag of communautaire producenten van grondstoffen of halffabricaten ook onder het begrip vallen of moet dit begrip eng worden uitgelegd en vallen alleen veredelaars van het eindproduct eronder.

De casus was als volgt. Argos Supply Trading BV had een aanvraag voor een vergunning passieve veredeling ingediend voor de veredeling van ethanol 85 (eindproduct). Ethanol 85 werd geproduceerd door benzine en bio-ethanol – dit zijn grondstoffen of halffabricaten – te vermengen in een schip op volle zee. De Douane stelde dat producenten van bio-ethanol werden benadeeld door de afgifte van de vergunning, aangezien ethanol 85 rechtstreeks zou concurreren met bio-ethanol dat in de Unie werd geproduceerd.

Het Hof van Justitie deelde de mening van de Douane en oordeelde dat niet alleen rekening moet worden gehouden met de belangen van communautaire veredelaars van soortgelijke producten (in dit geval ethanol 85), maar ook met de belangen van communautaire producenten van niet-communautaire grondstoffen of halffabricaten (hier dus de bio-ethanol). Hiermee gaat het Hof van Justitie voor een ruime uitleg.